Het begin.
Een ander karakteristiek voorbeeld van de kerkenbouw in de volle middeleeuwen in rivierenland is het kerkje van Persingen. Toen nog met de sacristie die later werd gesloopt. Het dorpje was toen al ontvolkt geraakt. Persingen hoorde altijd onder het dekenaat Nijmegen. Het prille begin van de kerstening moeten wij zoeken in de periode van de Merovingische koning Dagobert. In 629 gaf hij op zijn rondreis langs oude Romeinse vestigingsplaatsen bisschop Kunibert van Keulen opdracht om in Nijmegen een kerkje te bouwen. Dagobert stimuleerde sterk een vreedzame kolonisatie van het rivierengebied met immigranten uit Austrasië en andere delen van zijn rijk. Omdat dit gebied politiek en militair belangrijk was in de strijd met de Friezen.
Met die meest nog heidense nieuwkomers kwamen tegelijkertijd monniken uit de jonge abdijen die het ontginningswerk structureerden en de leer van Christus verkondigden. Zoals de monniken uit Atrecht langs de noordelijke Waaloever. In de kerkelijke organisatie ressorteerden Lent en die andere buurschappen onder het bisdom Utrecht.
Meer officieel werd het dekenaat Nijmegen onder het aartsbisdom Keulen toen in 1171 aartsbisschop Frederik van Keulen aan het stift Zyflich het cathedraticum van de tussen Maas en Waal gelegen kerken verleende. Omdat de landdeken (bijna) altijd de pastoor van Nijmegen was, werd het dekenaat Nijmegen genoemd. Dit cathedraticum lag als een wig tussen het bisdom Utrecht in het noorden en het bisdom Luik in het zuiden. Het werd in het westen door Wamel aan de Waal en Alfen aan de Maas begrensd. In 1255 verleende aartsbisschop Koenraad aan het stift Zyflich ten behoeve van het jonge stift Graefenthal (bij Asperden) de tienden:/...omnes decimas novalium infra terminos parochialis eclesie Zefliensis...... / Dit cistercienzerinnen klooster was in 1247 door Otto II van Kleef gesticht. Een notitie uit de 17e eeuw bevestigt die tienden: / ...de decima novalium in parochia Zeeflicensi nempe in Zeeflick, Loett, Beeck, Wylre...../
Beknopte historie van het Kerkje van Persingen.
Het kerkje kan bogen op een hoge ouderdom. Reeds in de 13e eeuw bestond er in Persingen een kapel opgedragen aan St. Dionisius, dit is hoogstwaarschijnlijk een houten gebouw geweest.
De huidige kerk, waarvan koor en schip uit de 14e eeuw en de toren uit de 15e eeuw dateren, is het eerste stenen bouwwerk.
Het dorp Persingen dat nog steeds de kleinste van Nederland is, waar als door een wonder het prachtige kerkje is blijven staan, was in de middeleeuwen een bloeiende nederzetting; een heerlijkheid onder het bestuur van het geslacht Van Apeltern.
De kerk en het naastliggende kasteel gaven aan het dorp een vrij grote zelfstandigheid op kerkrechtelijk en bestuurlijk gebied. Door de talloze overstromingen van de Waal werd Persingen geleidelijk aan vernield. Door de grote ramp van 1809 werden de ruïnes van het kasteel, dat al 100 jaar onbewoond was geheel weggespoeld. Ook de naast de kerk gelegen boerderij De Bonte Os werd vernield.
Voor zover bekend heeft persingen geen eigen parochie gevormd, maar was een hulp-kerk, een rectoraat, van de St. Stevenskerk in Nijmegen.
De heren van Persingen oefenden het patronaats-recht over de kerk uit, dat wil zeggen, zij benoemden de rector en de vicaris, die door de aartsdiaken van Xanten in hun functie bevestigd moesten worden.
De kerk en het hoofdaltaar waren toegewijd aan St. Dionisius, de eerste patroonheilige van Parijs.
Het tweede altaar was toegewijd aan St. Catharina en werd bediend door de vicaris. Nog steeds zijn in de kerk de twee credens-nissen aanwezig.
De rectoren die in Persingen geresideerd hebben, zijn niet allemaal bekend.
Er bestaat een akte uit 1322, waarin Gerardus van der Heyden genoemd wordt als investitus van de kerk. Hij was door de heer van Persingen benoemd maar niet door aartsdiaken van Xanten geïnstalleerd.
Van de volgende bekende rector Wilhelmus van Lacka weten wij niets anders, dan dat hij omstreeks 1479 overleden is, want toen werd hij opgevolgd door Walter Gerards.
In 1501 werd Jacob van Apeltern een telg uit het geslacht van de heren van Persingen tot rector aangesteld. Hij was reeds kanunnik van het Kapittel van de Dom van Utrecht, maar is waarschijnlijk nooit in Persingen geweest. Dit maken wij op uit het feit dat in hetzelfde jaar een vicaris werd aangesteld die ook de taak van de rector moest vervullen.
In 1549 werd een nieuwe rector aangesteld. De vorige Johannes van Bronchorst had vrijwillig afstand gedaan. Het is niet bekend of hij de opvolger van Jacob van Apeltern is geweest.
Willem Brouwer van Cuyck, priester van het bisdom Luik werd op 22 maart 1549 geïnstalleerd en fungeerde als rector tot zijn overlijden medio 1553. Hij werd begraven in persingen. Tijdens de restauratie van 1952 werden fragmenten van zijn grafzerk gevonden, waarop te lezen was A Cuick Pastor OB 53.
Hij werd opgevolgd door Willem van Heumen, priester van het aartsbisdom Utrecht die op 9 februari 1553 werd aangesteld door Thomas van Apeltern heer van Persingen. Naast rector was hij ook rentmeester en in die hoedanigheid komt hij in de bronnen nog voor in 1569.
Zijn opvolger was Peter Landmeter. In het rekenboek van Herman Smit, kanunnik van de St. Steven in Nijmegen wordt hij in 1571 “de nieuwe pastoor” genoemd. Van hem vinden wij de laatste vermelding in 1576.
Het is vrijwel zeker dat hij de laatste rector van Persingen is geweest voordat de kerk aan het eind van de 16e eeuw voor de Katholieke eredienst verloren ging.
Een bijzondere betekenis krijgt de kerk nog door het feit dat de Heren van Persingen reeds vroeg hervormingsgezind waren.
In het jaar 1566, toen de Hervorming ernstige pogingen deed om vaste voet in de stad Nijmegen te krijgen, was kasteel en kerk van Persingen een toevluchtsoord en steunpunt voor de predikanten. Het is niet onwaarschijnlijk dat de stem van Lodewijk Ornaeus, die eerst de nieuwe leer in de stad Nijmegen preekte, in de zomer van 1566 heeft geklonken onder de gewelven van het kerkje.
De kerk werd onderdeel van de Hervormde gemeente Ooy en Persingen.
Tot de reformatie.
Wordt binnenkort aangevuld
De reformatie.
Wordt binnenkort aangevuld
Als woning.
Wordt binnenkort aangevuld
Braam eigenaar.
Wordt binnenkort aangevuld
De gemeente eigenaar.
Wordt binnenkort aangevuld
St. Joriskapel.
Diep in de grijze polder van de Ooy
staat tussen vochtig weidegras en bomen,
die schaars maar rond de oude toren dromen,
het Persings kerkje in zijn slanke tooi.
Van zadeldak en oud-gotische beren:
de muren zwaar doorploegd van weer en wind,
de vensters zoekend naar de laatste vrind,
die uit het wassend water niet zou keren.
Vier eeuwen lang zag men er geen priester meer;
de vloed sloeg als een wolf tussen de schapen,
het Godshuis werd een stal, men borg er rapen
en veevoer; niemand dacht nog aan Ons Heer.
Totdat SINT JORIS en zijn jongens kwamen,
die 't kerkje redden uit zijn diep verval:
nu heeft de polder weer zijn ware stal
en leeft de Ooy weer met het Lam tezamen.

27 april 1952, bij de aankomst van het beeld (van beeldhouwer Albert Termote).
Gedicht van Alex Campaert.
Kerk der Katholieke verkenners.
Wordt binnenkort aangevuld
Monument en landschap.
Wordt binnenkort aangevuld
Stichting Het Kerkje van Persingen.
Wordt binnenkort aangevuld
De restauratie.
Wordt binnenkort aangevuld
Het Lindsen orgel.
Wordt binnenkort aangevuld
De legende van Persingen. - Dionys, de timmerman.
In Ubbergen woonde in de 16e eeuw een timmerman Dionys.
Hij was een gelovig mens van goede naam en faam, recht van lijf en leden.
Toen hij trouwde beloofde hij zijn vrouw goed voor haar te zorgen in voor- en tegenspoed. Hij deed zijn werk goed en al snel kon hij een knecht in dienst nemen, om alle opdrachten te kunnen uitvoeren.
Toen zijn vrouw hem vertelde dat zij zwanger was kon hun geluk niet op. Maar terwijl de zwangerschap vorderde nam zijn gezichtsvermogen stap voor stap af en bij de geboorte was het licht in zijn ogen geheel gedoofd.
Ondanks zijn blindheid bleef hij, met behulp van zijn knecht, aan het werk en hield hij de moed erin en bad dagelijks tot Maria, dat zijn vrouw en kind vrij zouden blijven van ziekte en tegenspoed.
Zijn grootste verdriet was dat hij zijn zoon niet kon zien.
Op een zomeravond liep het werk uit. En toen zijn knecht hem van de werkplaats terug bracht naar zijn woning, was het daar doodstil, zijn vrouw was reeds naar bed en ook het kind sliep rustig. Toen hij, geheel volgens gewoonte, naar het Mariabeeld liep, om voor zijn gezin te bidden, hoorde hij de deur achter zich opengaan. “Ben jij daar Jozef”, vroeg hij in de veronderstelling dat zijn knecht was teruggekomen. Echter een zachte vrouwenstem zei: “Schrik niet Dionys, ik ben gekomen om je te leiden naar de plek waar je je kind zult zien”. Verdrietig vroeg hij haar om niet te spotten met zijn gebrek. “Wie bent u wel dat u dit alles zegt”.
Terwijl hij sprak pakte de vrouw zijn hand en nam hem mee naar buiten. Zonder te praten liepen ze de heuvel af en vervolgens langs het pad door de weilanden en over het bruggetje.
Bij het kerkje in Persingen aangekomen zei de vrouw: “ Ga naar binnen Dionys” en terwijl hij over de drempel stapte hoorde hij de deur achter hem dichtgaan. Langzaam kwam het licht terug in zijn ogen en de laagstaande avondzon scheen door de ramen en kleurde de plavuizen van de vloer.
Achter het altaar hoorde hij de stem van een kind. Daar boven was een glas in loodraam met de afbeelding van Maria en het kindje Jezus op haar schoot. Het Christuskind wenkte hem dichterbij te komen. En voor zijn ogen nam Maria de trekken aan van zijn vrouw. Het kind veranderde niet. Zag zijn kind er zo uit, tranen vulden zijn ogen, tranen van geluk.
Hij bleef staan tot de zon onderging en het raam weer als vanouds werd. Achter hem hoorde hij weer de zachte vrouwenstem die hem vroeg mee te gaan naar huis. Vlak voor hij de drempel overging zag hij in een flits het gelaat van de vrouw die hem hier had gebracht, hij kende haar en de hele weg terug dacht hij waar hij de vrouw eerder had gezien. Pas toen hij thuis was en voor het Mariabeeld knielde herinnerde hij zich het gezicht. Het was het Mariabeeld, gelaat kleding alles was precies hetzelfde als wat hij gezien had op de drempel van de Kerk. Het was Maria zelf die hem naar Persingen had gebracht om hem zijn zoon te tonen.
Pas de volgende dag vertelde hij zijn vrouw wat hem overkomen was en beschreef het uiterlijk van hun kind. Zijn vrouw luisterde onthutst.
Dionys bleef Godsvruchtig en op de bruiloft van zijn zoon, in het wonderbaarlijke kerkje, keerde zijn gezichtsvermogen terug.
Dolné, onze bevriende historicus tekende het verhaal op uit de mond van Zr. Gertrudis, Dominicanes van Neerbosch die woonde en overleed (1987) in de Rosa Stichting aan de Dennenstraat.

|